Gezondheidsspecial hond en ziekte

Gezondheidsspecial hond en ziekte

Inleiding

Net als mensen kunnen ook honden ziek worden. Er zijn ziekten die bij honden net zo zijn als bij mensen, maar er zijn ook specifieke hondenziekten die bij mensen niet voorkomen.

Ook kunnen ziekten gebonden zijn aan bepaalde gebieden. Zo zijn er de Middellandse Zee ziekten, die in koudere gebieden niet voorkomen. Met name als het gaat om honden die via een adoptie uit een ander land naar Nederland gekomen zijn, komen deze ziekten al vrij snel ter sprake. Zodra een hond die afkomstig is uit het buitenland bepaalde klachten krijgt, wordt dan al snel geroepen dat de hond vast wel een buitenlandse ziekte heeft. Helaas zijn het niet zelden dierenartsen die zo’n vooroordeel uitspreken.

Het is een reden dat het adopteren van een hond uit het buitenland soms weerstand oproept. Toch is dat niet eerlijk als je kijkt naar de werkelijke herkomst van de meeste honden in Nederland. Het is namelijk bekend dat het grootste aandeel nieuwe honden afkomstig is uit de zogenoemde broodfok. Dat is het commercieel fokken van honden in erbarmelijke omstandigheden.

Dat fokken gebeurt in andere landen en in die landen komen ziekten en ziekteverwekkers wel degelijk voor. De honden worden illegaal naar Nederland (en andere landen) vervoerd en via advertenties aangeboden. Voor de nieuwe hondenbezitter lijkt het dan alsof het een hond is uit een in Nederland geboren nestje, maar de werkelijkheid is dus anders.

Dus om de zaken te benoemen zoals ze zijn: die Middellandse Zee ziektes bestaan inderdaad. Daar staat tegenover dat we in ons land ook weer andere ziektes kennen, waarover door de tegenstanders van buitenlandse honden dan weer niet wordt gesproken.

Voordat een hond uit het buitenland naar Nederland komt, is het belangrijk dat de hond medisch is onderzocht. Dat daarbij goed gelet is op de symptomen die horen bij bepaalde ziektes. Anders gezegd, dat alles is gedaan om dit te voorkomen dat de hond een ziekte krijgt, dan wel vroegtijdig te ontdekken dat de hond een ziekte met zich mee draagt.

Zelfs als uit dit onderzoek blijkt dat de hond gezond is, kan het zijn dat de parasiet die een bepaalde ziekte veroorzaakt latent aanwezig is. Die aanwezigheid is dan met geen enkel (bloed)onderzoek aan te tonen en kan zich zelfs vele jaren later pas openbaren.

Garanties op een leven zonder ziekte zijn niet te geven. Voor mensen niet en voor honden ook niet. Ook een hond kan iets onder de leden hebben dat zich pas later openbaart.

Toch is er veel dat je kunt doen om ziektes te voorkomen en om ziektes te bestrijden. Dat wil ik graag overbrengen. Ook wil ik ingaan op de vraag of het zinvol is je hond te laten testen op bepaalde ziektes.

We gaan kijken welke ziekten er bestaan, zowel de typische Middellandse zee ziekten als de ziekten die ook in eigen land voorkomen en kunnen ontstaan. Wil je direct lezen over een bepaalde ziekte, maak dan je keuze uit deze lijst.

Leishmaniose

Deze ziekte (ook wel leishmania of tropenziekte genoemd) wordt veroorzaakt door een parasiet die overdraagbaar is via het zandvliegje.

De hond die drager is van de parasiet hoeft niet ziek te worden. De parasiet kan aanwezig zijn zonder actief te worden. Dit hangt met name af van de natuurlijke weerstand die de hond heeft. Hoe sterker het immuunsysteem, hoe minder kans dat de ziekte actief wordt.

Tussen het geïnfecteerd raken met de parasiet en het daadwerkelijk ziek worden kunnen jaren verstrijken. Als leishmania op tijd wordt ontdekt dan kan de hond er heel goed oud mee worden. Tegenwoordig kan de hond er zelfs van herstellen.

Leishmania is niet overdraagbaar op of besmettelijk voor mensen.

Besmettingsbron

De ziekte wordt veroorzaakt door een eencellige parasiet die overdraagbaar is via het zandvliegje. Dit is in feite geen vlieg maar een mug, die de hond prikt en zo de leishmania parasiet van de ene hond overbrengt naar de andere hond en zo de besmetting veroorzaakt. De parasiet komt in het bloed terecht en de hond wordt drager van de parasiet.

Het zandvliegje houdt zich overdag verscholen op donkere en vochtige plaatsen en is actief bij zonsopkomst en zonsondergang. Het zandvliegje leeft voornamelijk in warme, vochtige gebieden met een humusrijke grond (bos), vooral in kieren en holen in stenen wanden, houtstapels, kelders of donkere opslagplaatsen bij huizen en stallen.

Zonder tussenkomst van deze zandvlieg kunnen honden elkaar niet besmetten met de leishmania parasiet. Onderzoek heeft aangetoond dat vlooien en teken de ziekte niet over kunnen brengen.

Mede door de klimaatverandering breidt het leefgebied van het zandvliegje zich uit, van gebieden in de landen rond de Middellandse Zee tot zelfs in Duitsland en België. De zandvlieg is nog niet in Nederland gesignaleerd.

Locatie van de parasiet

De parasiet nestelt zich in de rode bloedcellen van de hond en kan daar tot wel 7 jaar onzichtbaar blijven voordat hij zich openbaart en de hond ziek wordt. De incubatietijd na besmetting is minimaal 3 maanden.

Symptomen

De symptomen van leishmania en het tijdstip waarop deze symptomen ontstaan, kunnen per hond verschillen. Honden kunnen de ziekte kort (3 maanden) na de besmetting krijgen, andere honden pas na een aantal jaren en weer anderen krijgen nooit klachten, hoewel ze hun leven lang de parasiet in zich meedragen. Zoals gezegd hangt dit mede af van de afweer van de hond, hoe beter het immuunsysteem, hoe minder kans dat de ziekte zich openbaart.

De parasiet kan zich inkapselen in de milt, de lever, het beenmerg en lymfeklieren. Dit veroorzaakt verschillende symptomen en dat maakt de ziekte moeilijk te herkennen. Het hangt af van de organen die door de parasiet aangetast zijn en het stadium waarin de ziekte verkeert.

De eerste symptomen van leishmania omvatten:

  • Enkele of meerdere duidelijk vergrote (gezwollen) lymfeknopen, vooral in de hals- en knieholte.
  • Het regelmatig hebben van infecties.
  • Gewichtsverlies (mager worden), ondanks een normale eetlust en meer te eten krijgen.
  • Geleidelijke toenemende lusteloosheid/sloomheid.
  • Veel slapen en weinig tot geen energie hebben.
  • Afbraak van spieren.
  • Slechte eetlust of helemaal niet willen eten.
  • Algehele toestand van zwakte, soms met koorts en bloedarmoede (bleke slijmvliezen).

Als de ziekte niet behandeld wordt, nemen de klachten toe en komen de volgende symptomen:

  • Huidproblemen zoals:
    • haaruitval en roos, kale plekken achterop de oren, rond de neus en rond de ogen,
    • typische roze korstjes op de randen van oren en oogleden,
    • korstjes en kloofjes aan neusspiegel en toename van het eelt aan de neus,
    • zweertjes en wondjes op de rand van huid naar slijmvlies, die slecht of niet genezen,
    • beschadigde pootkussentjes en lange, snelgroeiende en afwijkende nagels,
    • droge, schilferige, rode geïrriteerde huid met soms blauwe plekken en een doffe vacht.
  • Deze huidklachten komen aan beide kanten voor (symmetrische kaalheid).
  • De kale plekken lijken niet gepaard te gaan met jeuk.
  • Droge neus en neusbloedingen.
  • Bloederige urine.
  • Braken en chronische diarree (soms met bloed).
  • Bewegingsproblemen, kreupelheid, stijfheid en pijnlijke gewrichten.
  • Ontstekingen aan de gewrichten.
  • Chronische oogontsteking, zowel de binnenzijde als de buitenzijde.
  • Aantasting van de hersenfunctie.
  • Schade aan organen: vergrote milt, leverschade en nierontstekingen.
  • Nierinsufficiëntie (van eiwitten in de urine tot nierfalen).
Diagnose

Als één of meerdere van de bovenstaande symptomen optreden, zal via een onderzoek de diagnose gesteld moeten worden.

Leishmania wordt meestal aangetoond met een bloedonderzoek. Microscopisch onderzoek is mogelijk met biopten van de lymfeknopen, het beenmerg, de lever of de milt. De parasiet is namelijk onder de microscoop zichtbaar. Met een speciaal laboratoriumonderzoek (PCR test) van de lymfeknopen of het beenmerg is de kans op het vaststellen van Leishmania groter. De PCR test spoort namelijk DNA-ketens van de parasiet op.

Er zijn 3 verschillende bloedtesten die testen op de aanwezigheid van antilichamen tegen de parasiet in het bloed. Dit zijn de IFI-test, de ELISA-test en de DAT-test die op test.

Bij een positieve titer (de afweerstoffen zijn aanwezig) is in het bloed te zien dat het totaal aan eiwitten vrijwel altijd verhoogd is, het albuminegehalte en de hematocrietwaarde vaak verlaagd zijn en de leukocyten meestal normaal zijn.

Een negatieve bloedtest is geen garantie dat de hond geen drager is van leishmania, want het kan tot 7 jaren na besmetting duren voordat de hond daadwerkelijk ziek wordt.

Bij honden jonger dan 7 maanden is testen zinloos, omdat de hond nog antistoffen van de moederhond in zich heeft.

Bijkomende bloedtesten zijn vereist om de staat van organen en het immuunsysteem vast te stellen. Dit is mede van belang voor de medicatie die ingezet kan worden.

Behandeling

Niet elke hond met antilichamen tegen Leishmania wordt ziek, het betekent alleen dat uw hond antilichamen heeft aangemaakt (we noemen dit een positieve titer of noemen de hond seropositief).

Het heeft geen zin om een seropositieve hond zonder klachten te behandelen. Zijn er wel klachten, dan is de aandoening goed te behandelen, zeker als deze tijdig is ontdekt en genezing is mogelijk.

Niet alle gebruikte medicijnen kunnen de parasieten helemaal en definitief uitroeien, enkele kunnen slechts de ziektesymptomen tegengaan.

Leishmania kan met verschillende medicijnen worden behandeld. Meestal wordt gekozen voor één van de onderstaande medicijnen of een combinatie daarvan.

ALLOPURINOL

Allopurinol (ook wel bekend als Zylapour) wordt toegediend als tabletten, die 2- tot 3-maal daags gedurende 6 tot 8 maanden ingenomen moeten worden. Dit medicijn wordt bij mensen gebruikt wordt tegen jicht.

Allopurinol kan als bijwerking de nieren aantasten, doordat het een gruislaagje achterlaat in de nieren. Hierdoor kan de nierfunctie verminderen en kunnen nierstenen ontstaan. Tijdens de behandeling is van belang de lever en de nieren regelmatig te laten testen.

Nadat de hond positief is getest wordt de behandeling meestal met allupurinol gestart. Dit middel doet de symptomen verminderen, het verlamt de parasiet. Meestal duurt het een aantal weken voor je zichtbaar veranderingen ziet bij de hond.

Na de behandeling kunnen de ziekteverschijnselen over zijn en is het nodig een totaal bloedbeeld te laten bepalen. De totaaleiwitten geven aan of er wel of geen ontstekingen bezig zijn in het lichaam. Zo niet, dan is de ziekte onderdrukt, maar deze kan na een paar jaar opnieuw opleven en dan moet de behandeling opnieuw gestart worden.

Het is nodig de hond te blijven controleren op terugkerende symptomen en om elke 3 tot 6 maanden het bloed te laten testen.

Het is niet verstandig om de hond langdurig preventief allopurinol blijven geven, omdat dit een te grote belasting is voor de nieren, door de neerslag die ontstaat.

MILTEFORAN

Milteforan (werkzame stof miltefosine) wordt toegediend als drank, die eenmaal per dag gedurende 4 weken ingenomen moet worden. Milteforan kan bijwerkingen geven zoals braken en diarree, vooral in de eerste week, maar dit is te voorkomen door het middel toe te dienen met de voeding.

Milteforan is een medicijn dat ook gebruikt wordt tegen kanker en aids, dat belooft de mogelijkheid te hebben de parasiet te kunnen doden en binnen 4 weken zichtbaar herstel aantoont.

De werkzame stof miltefosine kan doordringen in het beenmerg en de organen, waar de parasiet zich bij voorkeur terugtrekt en ter plekke de parasiet vernietigen.

Het medicijn heeft daarvoor wel tijd nodig, dus de kuur van 28 dagen moet worden afgemaakt.

Het middel heeft geen of weinig bijwerkingen en is niet zeer belastend voor de nieren. Wel moet de leverfunctie toereikend zijn, dit ter beoordeling van de dierenarts.

Milteforan is een relatief nieuw medicijn, waarvan de resultaten op lange termijn nog niet duidelijk zijn. Zo is nog niet duidelijk of milteforan de parasiet alleen onderdrukt of blijvend vernietigt.

Het middel wordt soms in combinatie met Allopurinol gegeven.

GLUCANTIME

Glucantime (meglumine-antimoniaat) wordt toegediend via onderhuidse injecties, dagelijks gedurende 4 tot 8 weken. Waar allopurinol de parasiet slechts verlamt, waardoor deze na een poosje weer actief wordt, is glucantime een middel dat de parasiet doodt, waardoor de kans dat ze ziekte terug komt kleiner is.

Glucantime geeft meer bijwerkingen dan allupurinol en milteforan en is een grote belasting voor de lever en nieren. Daarom is het belangrijk dat deze organen zijn gecontroleerd en goed bevonden voordat de behandeling met glucantime wordt gestart.

Juist vanwege de belasting die dit middel geeft in het lichaam van de hond is het belangrijk om tijdens de behandeling de weerstand (het immuunsysteem) van de hond te versterken. Dit kan met vitamines, vetzuren en homeopathische middelen.

Glucantime is minder effectief als er een langere periode allupurinol is gebruikt, omdat door de allupurinol de parasiet zich terug heeft getrokken in het beenmerg, waardoor de glucantime de parasiet minder goed kan bereiken en bestrijden. Bovendien is het waarschijnlijk dat door de allupurinol de nieren niet meer in staat zijn de belasting van de glucantime aan te kunnen.

Bij het toedienen van glucantime wordt verbetering pas waargenomen tegen het einde van de behandeling. Daarom worden glucantime en allopurinol soms bij de start van de behandeling gecombineerd. De zichtbare klachten verdwijnen dan sneller, maar het blijvend resultaat moet van de behandeling met glucantime komen.

AMPHOTERICIN B

Amphotericin B is een middel waarnaar momenteel onderzoek wordt gedaan. Zo is er een studie gedaan op honden met leishmania, die behandeld werden met dit middel. Meer dan 80% van deze honden blijkt na een jaar geen terugval hebben van de ziekte leishmania. De effecten op langere termijn zijn nog niet bekend.

Prognose

Leishmania is een ziekte veroorzaakt door een parasiet waar de hond meestal niet meer volledig vrij van komt, maar de ziekte is goed te behandelen met medicatie.

Soms wordt als onderdeel van de behandeling prednison (of een ander middel uit de groep cortisonen) gegeven. Dit middel vermindert de natuurlijke weerstand van de hond waardoor de ziekte makkelijker terug kan keren.

Secundaire klachten moeten zo goed mogelijk behandeld worden. Bij honden met eiwit in de urine kan een gerichte behandeling nierfalen mogelijk voorkomen.

De lichamelijke weerstand van de hond wordt ook fors verlaagd door een narcose en door vaccinaties. Wacht daarom met vaccinaties, als die noodzakelijk zijn, tot de hond weer stabiel is en voorkom als dat kan dat de hond onder narcose moet.

Om het immuunsysteem van de hond te versterken is het belangrijk de hond tijdens en na de behandeling extra natuurlijke voedingsstoffen te geven die bekend staan als weerstand verhogend. Denk hierbij aan omega-3 vetzuren, vitamies en homeopatische middelen.

Het is bekend dat stress de weerstand van de hond verlaagt. Door er naast de behandeling voor te zorgen dat de hond in een stabiele, rustige omgeving verblijft, zich prettig voelt en weinig tot geen stress ervaart, kan het afweersysteem goed functioneren.

Tijdige onderkenning van de symptomen, een juiste behandeling en goede verzorging zorgt ervoor dat een hond met leishmania gezond oud kan worden. De stelling dat een hond met leishmania aan die ziekte zal overlijden is niet juist.

Preventie

Als chemisch middel is er ter bescherming tegen het zandvliegje een halsband van Scalibor, die effectief is tegen het zandvliegje, waardoor besmetting en verspreiding voorkomen kan worden. Deze halsband wordt gebruikt in gebieden waar het zandvliegje voorkomt. Ook Vectra 3D (spot-on) is een chemisch middel dat voor dit doel wordt gebruikt. De giftige stoffen in deze band zijn echter ook werkzaam tegen de hond zelf.

Sinds enkele jaren is er ook een vaccin tegen leishmania genaamd Canileish. Het effect van dit vaccin is nog niet door onafhankelijk onderzoek bewezen.

Natuurlijke bescherming is mogelijk door gebruikt van pure etherische oliën van cederhout, rozemarijn, citroengras, tijm en pepermunt, bijvoorbeeld de WashBar Fresh spray.

Ehrlichiose

Deze ziekte (ook wel ehrlichia genoemd) wordt veroorzaakt door een parasiet die overdraagbaar is door een tekenbeet.

Teken zijn insecten die zich voeden met dierlijk of menselijk bloed. Zij bijten zich in het dier vast en kunnen hierdoor verschillende ziekten overbrengen. Ehrlichia is hier één van.

Besmettingsbron

Ehrlichia canis is de parasiet die door een teek wordt overgebracht in de hond en deze parasiet veroorzaakt de ziekte ehrlichia. De parasiet is een organisme tussen een virus en een bacterie in.

Net als ehrlichiose wordt ook babesia door een teek overgebracht, vandaar ook dat deze ziektes soms met de naam tekenziekte of karpattenziekte worden aangeduid.

Er bestaat een kans dat een hond die één van deze ziektes heeft, ook besmet is met de andere.

Deze teken komen van oorsprong niet in Nederland voor. Honden lopen het dus meestal op na een verblijf in een warmer land. Inmiddels komt de teek ook in Nederland voor.

Locatie van de parasiet

De parasiet behoort tot de ricketsia, dit zijn organismen die leven in de cel van de gastheer. De ehrlichia parasiet nestelt zich in de witte bloedcellen van de hond, tast deze aan en veroorzaakt een afname van het aantal witte bloedcellen. Honden kunnen vrij snel na infectie ziek worden, maar ook pas jaren later.

Symptomen

Afhankelijk van de reactie van het immuunsysteem van de getroffen hond en de fase waarin de ziekte verkeert kunnen de symptomen verschillend zijn

In de acute fase van ehrlichia, die loopt van 5 tot 20 dagen vanaf de besmetting, zijn de symptomen en de behandeling anders dan in de chronische fase van de ziekte.

Acute fase:

  • Koorts, sloom, weinig of geen  eetlust.
  • Benauwdheid.
  • Vergrote lymfeknopen en een vergrote milt.
  • Neusbloedingen.
  • Bloedingen in de huid en de slijmvliezen.
  • Braken.
  • Verlaging van de hoeveelheid bloedcellen (rode en witte bloedcellen, bloedplaatjes).
  • Vochtophopingen.

Chronische fase:

  • Terugkerende koorts, sloom, weinig of geen eetlust en gewichtsverlies.
  • Longontsteking.
  • Vergrote lymfeknopen en milt.
  • Bloedingen in de huid en de slijmvliezen.
  • Neusbloedingen.
  • Bloed bij de urine.
  • Bleke slijmvliezen.
  • Verdikte achterpoten en scrotum.
  • Oog- en neusuitvloeiing.
  • Ontstekingen in de ogen (pijn, slechtziend, blindheid).
  • Verandering van de nierfunctie, nierontsteking en nierfalen.
  • Kreupelheid door spier- en gewrichtsontsteking (artritis).
  • Zenuwen en hersenen kunnen aangetast raken (toevallen).
Diagnose

De infectie kan op verschillende manieren worden aangetoond, maar door de veelheid aan verschijnselen is het lastig om de diagnose te stellen.

Voor het stellen van de diagnose ehrlichia is bloedonderzoek of laboratoriumonderzoek nodig.

Met het bloedonderzoek is te zien of  het lichaam van de hond antistoffen heeft aangemaakt tegen de parasiet. De hond blijft daarna seropositief.

Het vinden van die antistoffen in het bloed bewijst dat de hond ooit ehrlichia heeft gehad, maar het bewijst niet dat ehrlichia de oorzaak is van de huidige klachten.

Om de parasiet te vinden die ehrlichiose veroorzaakt, is een PCR-test nodig. Dit is een test, waarbij het DNA van de parasiet wordt aangetoond. Dit kan met name in een vroeg stadium van de infectie.

Behandeling

Ehrlichia is goed te behandelen, de parasiet is gevoelig voor antibiotica doxycycline en tetracycline. Het herstel van de hond vindt meestal plaats tussen de 24 en 72 uur na behandeling, hoewel de behandeling 14 tot 28 dagen moet worden voortgezet.

Bij honden met de chronische vorm van ehrlichia, waar aanvullende behandeling nodig is, kan het herstel vele maanden duren. Deze honden moeten vaak ook heel lang antibiotica krijgen.

Prognose

Honden kunnen genezen van acute ehrlichia. Het is verstandig om de hond na het herstel te blijven volgen om te voorkomen dat de hond chronisch ziek wordt. Zelfs bij chronische ehrlichia kan een behandeling de hond klachtenvrij maken.

Sommige schade zal niet verdwijnen, honden waarbij de ogen zijn aangetast, kunnen bijvoorbeeld blind blijven. Volledige genezing  bij chronische ehrlichia is nog niet mogelijk.

Preventie

Ehrlichia is niet besmettelijk voor de mens, maar kan wel door teken naar andere honden worden verspreid. Daarom is het belangrijk om uw hond dagelijks op teken te onderzoeken en deze te verwijderen. Ook is het aan te raden om de hond in het tekenseizoen (maart tot oktober) tegen teken te beschermen. Zie voor informatie over bescherming tegen teken de special over parasieten of lees meer over keramische tekenbanden.

Babesiose

Deze ziekte (ook wel babesia genoemd) wordt veroorzaakt door een parasiet die overdraagbaar is door een tekenbeet.

Teken zijn insecten die zich voeden met dierlijk of menselijk bloed. Zij bijten zich in het dier vast en kunnen hierdoor verschillende ziekten, zoals ook babesia, overbrengen.

Babesia is niet besmettelijk voor de mens. Een besmette hond kan, door middel van tekenbeten, de parasiet wel overbrengen naar andere honden.

Besmettingsbron

Babesia canis is een bloedparasiet die door teken wordt overgebracht en de rode bloedcellen van de hond infecteert. De teek is een zogenaamde tussengastheer. De Dermacentor teek, die de babesia parasiet overbrengt, komt zowel in warme als in gematigde streken voor en inmiddels ook in Nederland en België.

Babesia wordt net als ehrlichia door teken overgebracht, vandaar dat deze ziektes soms ook wel als tekenziekte of karpattenziekte worden aangeduid. Er bestaat een kans dat een hond die één van deze ziektes heeft, ook besmet is met de andere.

Babesia kan ook worden overgebracht van teef op pup, door bloedtransfusie en door bijtwonden.

Locatie van de parasiet

Deze parasiet ontwikkelt zich uitsluitend in de rode bloedcellen van de. De incubatietijd varieert van 1 tot 3 weken. De parasiet dringt de rode bloedcellen binnen en deze worden vernietigt, waardoor de hond een ernstige bloedarmoede ontwikkelt.

Symptomen

Acute babesia geeft de volgende symptomen:

  • Matige tot hoge koorts.
  • Lusteloosheid, sloomheid.
  • Slechte of geen eetlust.
  • Geelzucht.
  • Bloedarmoede (bleke slijmvliezen).
  • Urine is koffiebruin tot donkerrood.
  • Braken.
  • Maag- en darmklachten.

Bij chronische infecties is er naast de acute klachten sprake van:

  • Algehele malaise.
  • Terugkerende koorts.
  • Vermageren.
  • Lever- en miltvergroting.
  • Ontsteking van de spieren en gewrichten.
Diagnose

De diagnose wordt gesteld door het vinden van de parasiet in de rode bloedcellen van een bloeduitstrijkje via een microscopisch onderzoek, middels een PCR-test en door het aantonen van antilichamen in het bloed.

De afweerreactie van het lichaam is te meten vanaf 2 weken na de infectie. Een seropositieve hond is (ooit) in aanraking is geweest met Babesia. Het vinden van antistoffen in een bloedtest wil dus niet altijd zeggen dat babesia de oorzaak is van de actuele klachten.

Behandeling

Babesiose is goed te behandelen met het medicijn Carbesia (werkzame stof imidocarb). Dit moet zo snel mogelijk gebeuren, want als de zieke hond niet behandeld wordt, of als er lever-, nier- of darmschade optreedt, kan de hond aan de ziekte overlijden. Erg zieke honden moeten opgenomen worden en een bloedtransfusie krijgen.

De injectie met Imidocarb is een zeer pijnlijke onderhuidse injectie en moet na 2 weken herhaald worden. Binnen een uur na de injectie kan de hond overmatig gaan speekselen, benauwd worden, gaan braken en diarree krijgen. Om deze bijwerkingen te verzachten kan atropine worden toegediend.

Soms wordt, in afwachting van de resuslaten van het onderzoek, gestart met doycycline tegen ehrlichia of anaplasma, omdat dit ziektes zijn die door dezelfde teek kunnen worden overgebracht.

Prognose

Honden kunnen door de behandeling genezen van babesia. Als de parasiet toch blijft sluimeren, wordt de ziekte chronisch, zal regelmatig klachten geven en behandeling nodig maken.

Preventie

Verklein de kans op babesia door de hond dagelijks te controleren op teken en deze meteen te verwijderen. Bij de meeste teken zullen de parasieten pas na 24 uur in de bloedbaan van de hond worden gebracht. Voorkom dat de hond door teken gebeten wordt door een goede bescherming te gebruiken. Zie voor informatie over bescherming tegen teken de special over parasieten of lees meer over keramische tekenbanden.

Vaccinatie geeft geen volledige bescherming. De verschillende babesia canis parasieten verschillen te veel van elkaar om een goed vaccin te maken.

Borreliose (ziekte van Lyme)

Deze ziekte (ook wel borrelia of ziekte van Lyme genoemd) wordt veroorzaakt door een parasiet die overdraagbaar is door een tekenbeet. In heel Nederland komen besmette teken voor die de borrelia bacterie met zich meedragen, met name in teekrijke omgevingen zoals bossen, heide en duinen.

De ziekte van Lyme is een ernstige aandoening voor mens en dier. De teken die borrelia overbrengen kunnen ook dragers zijn van babesia en ehrlichia.

Besmettingsbron

De bacterie kan zich in wilde dieren (zoals herten, zwijnen en reeën) vermeerderen, zonder dat deze dieren ziek worden. Zodra een teek zich voedt op zo’n geïnfecteerd dier, wordt de teek besmet. Deze teek kan dan op zijn beurt weer uw huisdier besmetten.

Onderzoek heeft uitgewezen dat de teek zich minimaal 24 uur moet voeden om voldoende bacteriën over te dragen om ziekte te veroorzaken. Vroege verwijdering van teken verkleint dus de kans op ontwikkeling van ziekte.

Puppy’s zijn bevattelijker voor de bacterie dan volwassen honden. Mensen kunnen de ziekte van Lyme niet rechtstreeks van de hond of kat krijgen.

Locatie van de parasiet

Wanneer de hond niet tijdig behandeld wordt, nestelt de ziekteverwekker zich in het zenuwstelsel, waar hij toevallen, verlamming en uiteindelijk de dood veroorzaakt.

Symptomen

Meestal ontstaat binnen 3 weken op de beetplaats een rode ringvormige plek, die zich langzaam uitbreidt. Helaas is deze kenmerkende ring bij honden vaak niet (goed) zichtbaar. Dus moet men op de volgende symptomen letten die vaak wat later optreden:

  • Gebrek aan eetlust.
  • Gewichtsverlies.
  • Uitdroging.
  • Weinig energie, sloomheid.
  • Hoge koorts.
  • Neerslachtigheid.
  • Gewrichtsproblemen (artritis).
  • Gezwollen lymfeklieren.
  • Aantasting van de nieren.

In verschillende studies wordt beschreven dat honden die de ziekte van Lyme in het veld oplopen verschijnselen kunnen vertonen van nierproblemen, neurologische verschijnselen of huidveranderingen. Het meest voorkomende verschijnsel is gewrichtsontsteking dat zich uit in plotselinge kreupelheid en pijn aan meerdere gewrichten.

Diagnose

De ziekte van Lyme is een vrij lastige diagnose, omdat de symptomen kunnen passen bij een groot aantal andere (wellicht meer voor de hand liggende) aandoeningen. De verdenking van de diagnose Lyme kan voor een deel op het verhaal en goed uitvoerig klinisch onderzoek worden uitgesproken.

Bloedonderzoek kan een infectie aantonen, maar het kan zijn dat dit bloedonderzoek herhaald moet worden, omdat in het begin de dieren nog geen positieve uitslag laten zien terwijl ze wel besmet zijn.

Als de ziekte niet snel genoeg wordt gediagnosticeerd, kan de ziekte chronisch worden en ernstige schade aan de nieren veroorzaken.

Röntgenfoto’s kunnen nodig zijn om andere oorzaken van kreupelheid uit te sluiten.

Behandeling

Er zijn verschillende vaccins tegen de ziekte van Lyme ontwikkeld, maar vaccinatie daarmee wordt afgeraden. De meeste borrelia infecties maken de hond niet ziek en honden reageren goed op een goedkope en veilige, orale antibioticumkuur.

Honden die ernstig ziek worden van borrelia bacterie, worden dat waarschijnlijk van de antilichamen tegen de bacterie. Vaccineren is daarom niet de beste behandeling.

De Ziekte van Lyme wordt daarom het beste behandeld met antibiotica en het middel van eerste keus is doxycycline.

Prognose

Hoewel de ziekte door teken wordt overgebracht op zowel mensen als dieren, zijn van honden veel minder gevallen bekend. Vermoedelijk wordt de ziekte lang niet altijd bij de hond ontdekt en anders ontwikkelen veel honden waarschijnlijk een zekere immuniteit.

We zien de ziekte steeds vaker in Nederland voorkomen. Mits in een vroeg stadium behandeld is de prognose goed.

Preventie

Goede voorzorgsmaatregelen tegen teken zijn belangrijk om infecties te voorkomen.

De teek moet tenminste 16 tot 24 uur vastgezogen zitten voor er overdracht van bacteriën naar de nieuwe gastheer plaatsvindt. Daarom is onderzoek van de hond na een wandeling in een tekenrijk gebied belangrijk, evenals het zo spoedig mogelijk verwijderen van de gevonden teken, liefst met een tekenpincet.

Er is weliswaar een vaccin tegen de ziekte van Lyme (Merilym 3 van Merial), waarin 3 van de 11 bekende borrelia soorten zitten, maar de werkzaamheid van het vaccin (bescherming tegen de ziekte) is niet aangetoond.

Het gebruik van tekenwerende middelen is aan te raden. Zie voor informatie over bescherming tegen teken de special over parasieten of lees meer over keramische tekenbanden.

Leptospirose (ziekte van Weil)

De ziekte van Weil is een van dier op mens overdraagbare, besmettelijke ziekte, die ernstige gevolgen kan hebben. In Nederland is de aandoening ten gevolge van goed vaccinatiebeleid zeldzaam. Mensen en (ongevaccineerde) honden zijn gevoelig voor leptospirose, katten krijgen de ziekte niet.

Honden die besmet worden met de klassieke vormen van leptospirose hebben nierfalen en leverfalen. De laatste jaren worden steeds meer honden gevonden die antistoffen hebben tegen leptospirose variëteiten waartegen niet gevaccineerd wordt. Het is niet geheel duidelijk hoe belangrijk deze bevinding is.

Besmettingsbron

Honden krijgen de ziekte van Weil via wilde dieren. Ratten zijn berucht, maar ook andere zoogdieren (rund, paard, varken) kunnen de ziekte bij zich dragen. Knaagdieren kunnen de bacterie in de urine hebben zonder zelf ziek te zijn. De hond en de mens worden vaak wel (ernstig) ziek.

Honden besmetten zich doordat ze in direct contact met het dier komen (eten van kadavers en bijtwonden), maar ze kunnen de ziekte ook indirect krijgen, via stilstaand water en modderpoelen die besmet zijn met de urine van geïnfecteerde dieren.

De diagnose wordt het vaakst gesteld in de zomer en in de herfst. Alleen in januari en maart wordt de diagnose niet gesteld. Jachthonden en andere honden die vaak op dezelfde plekken komen als de besmette dieren hebben een grotere kans de infectie op te lopen. Ook gezonde honden kunnen de bacterie in de urine hebben.

Symptomen

Honden met leptospirose kunnen de volgende klachten vertonen:

  • Apathie.
  • Niet eten.
  • Braken en diarree (soms met bloedbijmenging).
  • Geelzucht.
  • Koorts.
  • Gewrichtspijn en spierpijn.
  • Veel drinken en plassen (nierfalen) tot zelfs het stoppen van de urineproductie.
  • Neurologische afwijkingen.
  • Slijmvliesbeschadigingen van bek, ogen en geslachtsdelen.
Diagnose

De ziekte van Weil kan met een bloedonderzoek aangetoond worden, waarbij de afweerreactie (antilichamen) van het lichaam tegen de bacterie wordt gemeten. Soms moet de test herhaald worden of moeten andere laboratoriumtesten gedaan worden om zeker te zijn dat de klachten worden veroorzaakt door leptospirose.

Behandeling

De ziekte van Weil wordt behandeld met antibiotica (amoxycilline of doxicycline). De hond wordt vaak opgenomen voor verpleging en het krijgen van infusen. Indien nodig krijgen honden nierdialyse.

De kuur met antibiotica moet afgemaakt worden. Meestal krijgt de hond aansluitend eenmalig een ander antibioticum, anders kan de herstelde hond nog maanden de bacterie uitplassen en andere honden en mensen besmetten.

Prognose

Honden kunnen volledig genezen van de ziekte van Weil. Slechts in het ergste geval kan een dier overlijden. Dan is dit meestal het gevolg van nierfalen.

Gevaccineerde honden kunnen de ziekte wel krijgen, maar worden minder ernstig ziek. De kans op besmetting is 24 uur na het starten van de antibiotica nagenoeg nul.

Preventie

De farmacie en dierenartsen adviseren om de hond jaarlijks te laten vaccineren tegen de ziekte van Weil.

Sinds 2013 is het vaccin tegen de ziekte van Weil uitgebreid en geeft het bescherming tegen 4 in plaats van 2 soorten leptospira. De L2 enting werkt tegen leptospirose icterohaemorrhagiae (overgebracht door ratten) en tegen leptospirose canicula (overgebracht van hond op hond). De L4 enting werkt ook tegen leptospirose australis/bratislava (overgebracht door muizen) en tegen leptospirose grippotyphosa (overgebracht door egels, varkens en paarden).

De beste preventie is het mijden van plekken waar veel ongedierte voorkomt en het mijden van plekken met stilstaand water (niet te laten drinken uit water waar veel ratten voorkomen).

De kans op besmetting is het grootst tijdens zwemmen, drinken uit natuurlijke waterbronnen en lopen door gebieden waar veel knaagdieren zijn. Honden die meedoen aan de jacht lopen een groter risico op besmetting. Overal waar ratten en muizen zijn kan hun urine in de grond zitten.

Hoe gevoelig honden zijn hangt vooral af van hun natuurlijke weerstand. Honden die goed gevoed worden en alle benodigde eiwitten, vetten, vitaminen en mineralen in voldoende mate binnenkrijgen zijn beter bestand tegen de ziekteverwekker.

Er is een homeopathisch beschermingsmiddel genaamd Leptospirosis oral nosode. Dit is een homeopathische verdunning van een leptospirose die dezelfde energie draagt als de ziekte zelf.

Hepatozoom

Hepatozoom is een tekenziektes die bij de hond kan voorkomen.

Besmettingsbron

Hepatozoon is een ééncellige parasiet die honden ziek kan maken. De hond kan besmet raken door een besmette teek op te eten. Honden bijten of likken in hun vacht en kunnen zo een teek binnenkrijgen.

Locatie van de parasiet

De parasiet vermenigvuldigt zich in cellen van het beenmerg en komt uiteindelijk in de witte bloedcellen in het bloed. Alleen als er veel parasieten zijn wordt de hond ook ziek.

Symptomen

Het kan zijn dat de parasiet gevonden wordt, maar dat de hond er niet zo ziek van is. Dit is het geval als minder dan 5% van de witte bloedcellen besmet is. Als er veel parasieten in het hondenlijf zitten, ontstaan er echter wel ernstige ziekteverschijnselen:

  • Bloedarmoede.
  • Een duidelijke  toename van het aantal witte bloedcellen.
  • Een tekort aan bloedplaatjes.
  • Koorts.
  • Sloomheid.
  • Vermageren.
  • Ontstekingseiwitten.
Diagnose

Hepatozoom komt zelden voor, maar als honden besmet zijn met hepatozoon, is er vaak ook een infectie met één van de andere tropische parasieten, zoals ehrlichia en babesia. Deze worden namelijk door dezelfde teek overgebracht.

Behandeling

Hepatozoon is te behandelen met een (pijnlijke) injectie met Carbesia. Vaak wordt ook doxycycline gegeven en wordt de injectie na 2 weken herhaalt. Dit om gelijk ook een eventuele besmetting met ehrlichia en babesia te behandelen.

Prognose

Honden herstellen na behandeling volledig van een besmetting met hepatozoom.

Preventie

Hepatozoon vormt geen groot probleem, de ziekte komt weinig voor. De beste preventie is het bestrijden van teken en het zo snel mogelijk verwijderen van teken die zich wel in de hond hebben vastgebeten.
Het gebruik van tekenwerende middelen is aan te raden. Zie voor informatie over bescherming tegen teken de special over parasieten of lees meer over keramische tekenbanden.

Anaplasma

Anaplasma is een tekenziektes die bij de hond kan voorkomen.

Besmettingsbron

Anaplasma wordt door dezelfde teek overgebracht als de ziekte van Lyme. De teek moet 24 tot 48 uur bloed zuigen voordat de ziekteverwekker van anaplasma wordt overgedragen aan de hond. De hond wordt 1 tot 2 weken na de besmetting ziek.

Honden die positief testen op ziekte van Lyme, hebben mogelijk ook anaplasma. Ook kunnen deze honden gelijktijdig besmet zijn met babesia of ehrlichia.

Locatie van de parasiet

Anaplasma kan, doordat de parasiet in de witte bloedcellen zit, zorgen voor een verlaging van de weerstand.

Symptomen

Anaplasma bij een hond kenmerkt zich door:

  • Acute lusteloosheid.
  • Slechte eetlust.
  • Koorts.
  • Kreupelheid (gewrichtsontsteking).
  • Bleke slijmvliezen.
  • Diarree en braken.
  • Huidbloedingen.
  • Benauwdheid.
  • Vergrote lymfeklieren en vergrote milt.

Zelden komen ook symptomen voor als hoesten, oogontsteking, zwelling van de poten, veel drinken en neurologische verschijnselen.

Diagnose

De diagnose anaplasma wordt door middel van bloedonderzoek gesteld. De hond wordt 1 tot 4 weken na blootstelling aan de parasiet seropositief, het lichaam heeft dan antistoffen aangemaakt tegen de parasiet. De hond blijft daarna seropositief.

Als de antistoffen in het bloed worden gevonden, is bewezen dat de hond ooit anaplasma heeft gehad, maar het bewijst niet dat anaplasma de oorzaak is van de huidige klachten.

Behandeling

Anaplasma is een tekenziekte die vrij eenvoudig volledig te genezen is. De behandeling vindt plaats met doxycycline gedurende 3 tot 4 weken. De meeste honden reageren snel op de behandeling en zijn vaak binnen 1 à 2 dagen na het begin van de behandeling klachtenvrij. Is die verbetering er niet zo snel, dan is er waarschijnlijk meer aan de hand en heeft de hond ook nog een andere ziekte.

Prognose

De prognose is na behandeling goed, de meeste honden genezen volledig.

Preventie

De beste preventie is het bestrijden van teken en het zo snel mogelijk verwijderen van teken die zich wel in de hond hebben vastgebeten.
Het gebruik van tekenwerende middelen is aan te raden. Zie voor informatie over bescherming tegen teken de special over parasieten of lees meer over keramische tekenbanden.

Filaria (Hartworm)

Hartwormen zijn parasieten uit het Middellandse Zeegebied. De larven van de worm worden door stekende muggen overgebracht van hond naar hond. Temperatuur en luchtvochtigheid zijn erg bepalend of de larve in de mug kan overleven en zich kan ontwikkelen.

Hartwormen zijn levensbedreigende wormen.

Besmettingsbron

Hartwormen worden overgedragen door muskieten. Wanneer een besmette muskiet een hond bijt, geeft hij de larven van de worm door, die zich vervolgens door het lichaam verplaatsen, totdat ze in circa 3 à 4 maanden tijd hun uiteindelijke bestemming hebben bereikt, het hart en de longslagaders.

Wanneer een muskiet een besmette hond bijt, pikt hij deze larven op en kan de besmetting zo doorgeven aan andere honden.

Locatie van de parasiet

In de hond groeien de larven in 4 tot 6 maanden uit tot volwassen wormen. De wormen zijn 10 tot 30 cm lang en hebben een diameter van ongeveer 1 mm. Ze leven in de grote longslagaders, soms ook in de rechter harthelft van de hond en zorgen ze voor verstopping van de bloedvaten.

Een hond kan jarenlang zonder klachten een hartworm bij zich dragen, maar op een gegeven moment krijgt de hond klachten (met name longproblemen) en kan hier ook aan overlijden.

Een volwassen worm kan na 7 jaar van ouderdom overlijden.

Symptomen

De ontwikkeling van hartwormziekte bij honden verloopt doorgaans langzaam en geleidelijk.

Na verloop van tijd veroorzaakt de aanwezigheid van volwassen wormen in het hart en de longslagaderen een ontsteking van het hart en een verdikking van de wand van de aderen. Dit leidt tot een verhoging van de bloeddruk en een grotere inspanning van het hart om het bloed door deze aderen te pompen.

Ten gevolge hiervan kan de hartfunctie van de hond tekort gaan schieten, wat uiteindelijk tot de dood kan leiden. De schade aan de bloedvaten is doorgaans ernstiger bij honden die lichamelijk zeer actief zijn.

De eerste symptomen treden doorgaans pas 5 tot 7 maanden na besmetting op, als de ziekte al in een zeer ernstig stadium is gekomen.

De eerste tekenen bestaan uit:

  • Af en toe hoesten.
  • Vermoeidheid.

Later neemt dit in ernst toe:

  • Chronische hoest.
  • Hoge bloeddruk.
  • Moeizame ademhaling, vooral tijdens en na lichaamsbeweging.
  • Lichte bloedarmoede.
  • Algehele zwakte, lusteloosheid.
  • Uitdroging.
  • Milde tot ernstige benauwdheid.
  • Gebrek aan eetlust of helemaal niet eten.
  • Gewichtsverlies.

In een verder gevorderd stadium:

  • Bewustzijnsverlies (flauwvallen) na een lichte lichamelijke inspanning of opwinding.
  • Zwelling in de achterpoten.
  • Zwelling van kop en voorpoten.
  • Vocht in de buik of in de longen.
  • Plotseling overlijden.

Als een groot aantal wormen tegelijk dood gaat, kan dat plotseling de bloedvaten van de longen afsluiten. De hond wordt dan plotseling benauwd en kan bloed ophoesten.

Diagnose

Een hartworminfectie kan worden vastgesteld door bloedonderzoek, echografisch onderzoek of een röntgenfoto.

Bloedonderzoek is  mogelijk naar circulerende babywormpjes, antigenen van de volwassen  vrouwelijke wormen en antilichamen. Deze testen geven soms een negatieve uitslag als de hond toch besmet is. Vooral het antigenen onderzoek is onbetrouwbaar.

Op een echo kan een vergroot rechter hart worden gezien, waarin wormen soms zichtbaar zijn als twee parallel lopende lijntjes.

Een röntgenfoto kan aanwijzingen geven, maar helemaal duidelijk is het beeld niet. De bloedvaten in de longen kunnen kronkelend verlopen en afgesloten zijn. Er zijn aanwijzingen voor rechter hartfalen.

Er zijn 4 andere wormachtigen bij de hond waarbij circulerende babywormpjes in het bloed kunnen worden gevonden. Deze wormen geven meestal geen of geringe klachten. Eén van deze wormen kan bij de hond (net als bij de mens) wormknobbels in de huid geven. De wormpjes kunnen met behulp van een PCR-test (een soort DNA test) van hartworm worden onderscheiden.

Behandeling

De moeilijkheid bij het behandelen van hartworm is, dat niet alle wormen in één keer gedood mogen worden. De dode wormen kunnen dan belangrijke bloedvaten in de longen afsluiten, waardoor de hond na de behandeling kan instorten en overlijden.

Als wormen de grote bloedvaten afsluiten, is chirurgisch ingrijpen noodzakelijk en dit is een risicovolle operatie.

Daarom wordt eerst een cocktail van melarsomine gegeven, een middel specifiek tegen hartworm, samen met bloedverdunner, ontstekingsremmer en antibiotica (heparine, prednison en doxycycline).

Het is heel belangrijk dat de hond in de 30 tot 40 dagen na de behandeling echt heel rustig wordt gehouden.

Ongeveer 6 weken na de eerste injectie melarsomine moet de hond nogmaals dit middel krijgen en deze keer 2 dagen achter elkaar.

Als 3 weken daarna de volwassen wormen dood zijn, moeten de babywormen nog behandeld worden. Dat kan met milbemycine, een ontwormingsmiddel.

Om al deze redenen zal het nu duidelijk zijn waarom preventie belangrijker is dan genezen.

Prognose

Na het behandeltraject zijn alle wormen gedood en is de hond genezen.

Preventie

Preventie is alleen zinvol als de hond vrij is van hartwormen. Chemische middelen die preventief werken bevatten de werkzame stoffen Ivermectine, Milbemycine, Moxidectine of  Selamectine.

Er zijn inmiddels al wel meldingen die erop duiden dat de resistentie van wormen tegen preventieve chemische middelen toeneemt. Sterkere middelen is de oplossing niet, want de middelen zijn sowieso ook al gevaarlijk voor de honden zelf.

Natuurlijke bescherming is gericht tegen de verspreiding door muskieten en is mogelijk door gebruikt van pure etherische oliën van cederhout, rozemarijn, citroengras, tijm en pepermunt, bijvoorbeeld de WashBar Fresh spray.

Giardia

Giardia is een van de meest voorkomende darmparasieten bij de hond.

Hoewel een infectie bij veel honden nauwelijks klachten geeft, kan de parasiet bij sommige honden een hardnekkige, terugkerende diarree veroorzaken.

In de omgeving van de hond kan de parasiet langdurig aanwezig blijven. Het komt daarom veel voor dat een hond zich opnieuw besmet.

Besmettingsbron

Giardia is een parasiet die ook in Nederland voorkomt. Een hond wordt besmet door het opeten van de parasiet.

Buiten, op plekken waar veel honden en katten komen, is giardia bijna altijd aanwezig. Ook in het wild levende dieren kunnen de parasiet bij zich dragen en bijdragen aan de besmetting van de omgeving.

Giardia is ook voor mensen besmettelijk en kan een ernstige infectie veroorzaken, vooral bij mensen met een verminderd immuunsysteem. Daarom is het van belang om bij een vermoeden dat de hond besmet is met giardia, dit te laten onderzoeken.

Locatie van de parasiet

Giardia is een eencellig amoebe-achtig diertje dat in de dikke darm leeft en zich voortplant in de cellen aan de binnenzijde van de dikke darm. Elke 3 weken barsten deze cellen open en komen de nieuwe parasieten in grote getale tegelijk naar buiten.

Symptomen

De hond heeft buikpijn en een wat zachtere, blekere vettige diarree, die erg stinkt. De ontlasting kan slijmerig zijn of vers bloed bevatten.

Het kan echter ook zijn dat de hond doorlopend milde diarree heeft of zelfs zonder darmklachten gewicht verliest ondanks goede eetlust.

Diagnose

Giardia kan worden aangetoond in de ontlasting met een eenvoudige test.

Geen enkele test is echter 100% gevoelig, dus een test kan wel eens negatief uitvallen, terwijl de hond de parasiet wel bij zich draagt.

Behandeling

Dieren met diarree en giardia worden behandeld met Metronidazol of Fenbendazol. Door 3 dagen achtereen een tablet Panacur te geven wordt de parasiet vernietigt.

Omdat gezonde dieren in de omgeving de parasiet ook kunnen uitscheiden en de hond opnieuw kunnen besmetten, kan het nodig zijn om alle dieren in een huishouden tegelijkertijd te behandelen.

Daarnaast is het erg belangrijk om alle dekens, manden, kussens en de omgeving van de hond goed te ontsmetten en minimaal twee weken strikte hygiëne aan te houden.

Giardia-cysten (de parasiet met een schilletje er omheen) kunnen buiten het dier lang overleven. Hoe kouder en vochtiger de omgeving, hoe langer de parasiet infectieus blijft.

Er zijn vaccins ontwikkeld tegen giardia, maar deze zijn helaas niet effectief.

Prognose

De hond is na behandeling vrij van de giardia parasiet. Gelet op de cyclus van 3 weken kan het nuttig zijn de hond 17 tot 24 dagen na behandeling opnieuw te laten testen op giardia, als de ontlasting van de hond daar aanleiding toe geeft.

Preventie

De beste preventie is zorgen dat parasieten zoals giardia niet in het lichaam van de hond kunnen overleven. Dit is te bereiken door de hond te voeden met vers vlees. De maagsappen worden dan zo zuur dat wormen, inclusief de giardia parasiet, daar niet in kunnen overleven.

Scabiës (schurft)

Schurft bij de hond wordt veroorzaakt door de Sarcoptes mijt. Deze mijt is zeer infectieus en kan ook mensen tijdelijk infecteren. De mijt veroorzaakt ernstige jeuk en huidklachten.

Gelukkig is schurft goed te behandelen en verdwijnen de klachten bij de contactpersonen weer vanzelf.

Besmettingsbron

De Sarcoptes mijt is zeer infectieus, honden besmetten zich door contact met een andere hond met schurft of door een besmette omgeving. De mijt kan enkele weken in de omgeving buiten de hond blijven leven in borstels, manden en dekens, die daarom dus ook een bron van infectie kunnen zijn.

De Sarcoptes mijten kunnen zich alleen voortplanten op de hond, maar ze kunnen wel tijdelijk op een andere gastheer leven, ook op de mens. Het komt dan ook vaak voor dat eigenaren van een hond met schurft zelf ook jeuk en uitslag hebben.

Locatie van de parasiet

De Sarcoptes mijt woont in de oppervlakkige lagen van de huid en graaft daar gangen waarin het vrouwtje haar eitjes legt. Alle stadia van de levenscyclus van de mijt vinden plaats op de hond, in totaal duurt het 2 tot 3 weken voordat een eitje zich heeft ontwikkeld heeft tot een volwassen mijt.

Symptomen

Sarcoptes mijten veroorzaken intense jeuk. De jeuk is vaak zo heftig dat de hond gewicht verliest doordat het krabben zoveel energie kost. Er ontstaan rode plekken, bultjes en korsten op de huid.

Deze klachten zitten vaak vooral aan de oren, de snoet, de ellenbogen en de hakken, maar kunnen over het hele lichaam verspreiden.

Veel honden met schurft hebben een secundaire bacteriële infectie van de huid door de schade die de mijten veroorzaakt hebben.

Diagnose

De mijten kunnen worden gevonden door microscopisch onderzoek van enkele diepe huidafkrabsels, maar de trefkans is niet zo heel erg groot.

Er is ook een bloedonderzoek beschikbaar, deze is echter pas 5 weken na infectie betrouwbaar. Ook kunnen er kruisreacties met stofmijten optreden. Daarom wordt de diagnose schurft vaak gesteld aan de hand van een goede reactie op de behandeling.

Behandeling

Schurft is goed te behandelen met Selamectine. Veel honden met schurft hebben er baat bij om daarnaast gewassen te worden met een antibacteriële shampoo die ook de korsten verwijdert.

De behandeling moet worden voortgezet tot minstens 3 weken na het verdwijnen van de klachten.

Het is aan te bevelen om ook de omgeving van de hond goed schoon te maken. Zolang de hond nog niet genezen is, moet het contact met andere honden vermeden worden.

Het middel Simparica bevat de werkzame stof sarolaner dat werkzaam is tegen diverse soorten mijten, waaronder de Sarcoptes mijt. De tablet wordt 3 keer gegeven, eens per maand, in een doseringssterkte die overeenkomt met het gewicht van de hond.

Soms is de jeuk zo heftig dat een korte behandeling met prednison verlichting kan brengen.

Prognose

Na de juiste behandeling zal de schurft volledig verdwenen zijn van de hond.

Preventie

Bescherming tegen besmetting met de Sarcoptes mijt kan met chemische middelen die de werkzame stoffen Selamectine of moxidectine bevatten. Deze giftige stoffen zijn echter ook gevaarlijk voor de honden zelf.

Natuurlijke bescherming is gebaseerd op een goede weerstand, waardoor de hond onaantrekkelijk is voor de mijt. Parasieten zoeken bij voorkeur de zwakste doelen op. Zie voor informatie over voeding die voor een sterke natuurlijke weerstand zorgt de special over voeding.

Demodex (puppyschurft)

Puppyschurft ofwel demodex komt vaak bij jonge honden voor. De klachten variëren van een simpel kaal plekje tot een hond die volledig kaal is met ernstige huidontstekingen. Behandeling is over het algemeen goed mogelijk.

Besmettingsbron

Demodex is een mijt die bij jonge honden schurft veroorzaakt. Demodex is een gevreesde huidklacht bij jonge honden.

De demodex mijt is gemakkelijk te onderscheiden van andere mijten. In tegenstelling tot andere bekende mijten is demodex smal en langwerpig (als een visje) met aan de voorste helft beiderzijds 4 korte pootjes. Ze zijn niet met het blote oog te zien, maar wel onder een microscoop.

Als een hond demodex heeft komt dit omdat de afweer tegen deze mijt niet goed verloopt. Dit zien we meestal bij jonge honden vanaf 5 à 6 maanden.

De meeste puppy’s hebben voldoende eigen afweer om de demodex mijten te controleren, zodat er geen ziekte ontstaat. Sommige puppy’s hebben een verminderde werking van de T-lymfocyten, waardoor het immuunsysteem van deze hondjes onvoldoende in staat is om demodex te bestrijden.

Dit is ook de reden dat demodex vaak bij meerdere puppy’s uit hetzelfde nest wordt aangetroffen en om dezelfde reden is demodex niet besmettelijk.

Oudere honden kunnen soms ook demodex krijgen. Dan is er een primaire oorzaak die de afweer ondermijnt, waardoor de demodex mijt ook bij deze honden problemen kan geven.

Locatie van de parasiet

De demodex mijt maakt deel uit van de normale huidflora. Puppy’s krijgen al bij geboorte demodex mijten op zich door de moederhond. Dus in principe is de mijt in zeer kleine aantallen aantoonbaar bij iedere gezonde hond, zonder dat deze klachten veroorzaakt. Demodex gaat pas problemen veroorzaken, als de mijten in aantal toenemen in haarfollikels en talgklieren.

Symptomen

De demodex kan zich op 2 manieren uiten, in de gelocaliseerde vorm en in de gegeneraliseerde vorm. Verder zijn er 2 vormen waarin demodex kan optreden, de juveniele vorm en de volwassen vorm.

Gelocaliseerde demodex

Het beeld van demodex in de meest bekende vorm is:

  • Kaalheid rond de ogen, op de wangen, rond de bek, rond de neus, op de hals en aan de binnenkant van de voorpoten. De plekjes zijn rood tot grijs en jeuken meestal niet.
  • Rond de lippen en de ogen enkele korstjes, schilfers of rode plekken.

Gegeneraliseerde demodex

In de ernstige gegeneraliseerde vorm is het beeld:

  • Bijna volledig kale huid bezaaid met korstjes, schilfers en etterende pukkels.
  • Huidinfecties met jeuk.
  • Rond de lippen en de ogen etterende pukkels veroorzaakt door bacteriën.
  • Algehele ziekte.

Juveniele vorm

De juveniele vorm komt voor bij honden op een leeftijd tussen 3 en 18 maanden. De plekken kunnen Lokaal zijn (gelocaliseerde vorm), waarbij slechts enkele plekken aanwezig zijn, maar er kunnen ook plekken aanwezig zijn over het gehele lijf van de hond (gegeneraliseerde vorm).

Volwassen vorm

De volwassen vorm treedt meestal op vanaf een leeftijd van ongeveer 4 jaar. Bij deze vorm is er een weerstandsvermindering die de uitbraak van demodex veroorzaakt. Deze weerstandsvermindering kan veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een te traag werkende schildklier, de ziekte van Cushing, bepaalde tumoren en behandeling met medicatie die de afweer onderdrukt zoals prednisolon.

Diagnose

De diagnose wordt gesteld aan de hand van de huidklachten en het microscopisch beeld. Met een scherpe lepel wordt oppervlakkig wat huidmateriaal afgeschraapt en onder de microscoop onderzocht. De mijten zijn gemakkelijk aan te tonen.

Als het wemelt van de mijten, kan dat een aanwijzing zijn voor een ernstige besmetting.

In chronische gevallen kan het zijn, dat alleen een huidbiopsie uitsluitsel kan geven, maar in verreweg de meeste gevallen is een eenvoudig afkrabpreparaat voldoende om de diagnose demodex te stellen.

Behandeling

Kleine lokale plekjes verdwijnen in meestal vanzelf. Jonge honden met ernstige demodex herstellen meestal volledig na een aantal maanden behandelen.

Ivermectine wordt het meest gebruikt en voor honden die overgevoelig reageren op ivermectine wordt Amitraz gebruikt. Dit middel kan goed gebruikt worden bij de lokale vorm, maar er moeten wel voorzorgsmaatregelen getroffen worden, want dit middel is giftig.

Bij ernstige demodex is het meestal nodig om antibiotica te geven, omdat de huid dan met bacteriën (en soms gisten) geïnfecteerd is geraakt.

Het middel Simparica bevat de werkzame stof sarolaner dat werkzaam is tegen diverse soorten mijten, waaronder de Demodex mijt. De tablet wordt 3 keer gegeven, eens per maand, in een doseringssterkte die overeenkomt met het gewicht van de hond.

De behandeling van honden tegen demodex is er bij de volwassen vorm vooral op gericht om het onderliggende probleem aan te pakken, de reden van de lage weerstand van de hond.

Zodra dat lukt, zal de demodex ook verdwijnen.

Prognose

Na de behandeling is het raadzaam nog een afkrabsel te laten testen ter controle. Als de klachten verdwenen zijn en er geen mijten meer gevonden worden, is het verstandig een preventief middel tegen mijten te gebruiken.

Preventie

Chemische middelen die moxidectine bevatten werken preventief. Deze giftige stof is echter ook gevaarlijk voor de honden zelf.

Natuurlijke bescherming is gebaseerd op een goede weerstand, waardoor de hond onaantrekkelijk is voor de mijt. Parasieten zoeken bij voorkeur de zwakste doelen op. Zie voor informatie over voeding die voor een sterke natuurlijke weerstand zorgt de special over voeding.

Epilepsie

Epilepsie was voor mij de reden om me te verdiepen in voeding, supplementen en de invloed van vaccinaties, medicaties en bestrijdingsmiddelen op honden.

Wat is epilepsie?

Epilepsie is een redelijk vaak voorkomende neurologische aandoening bij de hond, waarbij er herhaaldelijk toevallen optreden. De toeval ontstaat door een tijdelijke storing in het functioneren van de hersenen. Een sterk, kortdurend elektrisch signaal wordt onvoldoende afgezwakt en verspreidt zich in de hersenen met de toeval tot gevolg.

De toevallen treden bij herhaling op en de tijdsduur tussen de aanvallen kan per hond erg verschillen van eens in de zoveel maanden tot meermaals per dag. Gemiddeld ligt de frequentie op eens per twee tot zes weken.

Niet alleen de hond heeft te lijden onder epilepsie. De epileptische aanvallen kunnen een behoorlijke impact op het gezin hebben. Behandeling van epilepsie en leren leven met een hond met epilepsie is goed mogelijk, als je als hondenbaasje goed op de hoogte bent van een aantal belangrijke zaken rondom epilepsie.

Welke vormen van epilepsie zijn er?

Bij epilepsie wordt het onderscheid gemaakt tussen de primaire, de secundaire en de reactieve epilepsie.

Primaire epilepsie

Bij primaire epilepsie vinden de aanvallen plaats zonder aanwijsbare oorzaak elders in het lichaam. Primaire epilepsie wordt vastgesteld als er door middel van onderzoeken geen aanwijsbare oorzaken van secundaire of reactieve epilepsie gevonden worden. Primaire epilepsie komt het meest voor bij honden.

Voor primaire epilepsie geldt:

  • De eerste aanvallen treden op tussen een leeftijd van 6 maanden en 5 jaar.
  • Meestal wordt de eerste aanval gevolgd door een tweede (soms pas na maanden), maar het kan ook bij één aanval blijven.
  • De tijd tussen de aanvallen wordt aanvankelijk steeds korter om daarna min of meer constant te blijven (gemiddeld om de 2 tot 6 weken).
  • Tussen twee aanvallen is de hond wat betreft conditie en gedrag volkomen normaal.
  • Vaak treden aanvallen in een vertrouwde omgeving op, zoals thuis.
  • Vaak treden aanvallen op tijdens periode van rust (in de avond, nacht of ochtend).
  • Er is geen relatie tussen de aanvallen en opwinding of inspanning.

Secundaire epilepsie

Er is sprake van secundaire epilepsie als de epileptische aanvallen veroorzaakt worden door een aanwijsbare andere aandoening in het lichaam. Als deze aandoening in de hersenen is, dan wordt dit een secundaire epilepsie genoemd. Is de aandoening buiten de hersenen, dan wordt dit een reactieve epilepsie genoemd.

In principe kunnen dieren van alle leeftijden last van secundaire epilepsie krijgen, maar meestal gebeurt dit op oudere leeftijd.

Mogelijke oorzaken van secundaire epilepsie met de oorzaak in de hersenen zijn:

  • Hydrocephalus (hersenwaterzucht),
  • Trauma (zoals aanrijding).
  • Hypoxie (zuurstoftekort).
  • Meningo-encephalitis (hersenvliesontsteking), veroorzaakt door parasitaire of bacteriële infecties.
  • Hersentumoren.

Reactieve epilepsie

Bij reactieve epilepsie ligt de oorzaak buiten de hersenen en is de epilepsie te verklaren door een gebrek aan of een teveel aan bepaalde stoffen in het lichaam. Reactieve epilepsie wordt grotendeels veroorzaakt door giftige stoffen die de hond heeft binnen gekregen, waardoor de hersenen, het immuunsysteem en nieren worden aangetast.

Mogelijke oorzaken zijn:

  • Hypoglycemie (te laag suikergehalte in het bloed).
  • Hypocalcemie (te laag calciumgehalte in het bloed, zoals bijv. bij een pas bevallen teef),
  • Uremie (lever- of nierinsufficiëntie waardoor afvalstoffen zoals ammoniak en ureum zich ophopen in het bloed).
  • Hepato-encephalopathie (te hoog gehalte aan bepaalde gifstoffen in bloed door leverfalen),
  • Vergiftigingen door bepaalde toxische stoffen.
  • Zware ondervoeding.
  • Sommige virale ziektes, zoals de ziekte van Carré en hondsdolheid.
  • Parasitaire of bacteriële infecties.
  • Vlooiendruppels en vlooienbanden.
  • Ontwormingstabletten.
  • Teveel vaccineren.

Voor secundaire en reactieve epilepsie geldt:

  • De eerste aanval treedt vaak op door een aangeboren oorzaak, als de hond nog jonger is dan 6 maanden of juist op latere leeftijd van 5 jaar of ouder door een verkregen oorzaak.
  • Er is vaak een relatie tussen de aanval en voeding, inspanning of opwinding,
  • Tussen twee aanvallen vertoont de hond vaak afwijkend gedrag en de algehele conditie kan verminderd zijn.
  • Het kan bij alle rassen en kruisingen optreden, maar wordt bij bepaalde rassen vaker gezien (aangeboren erfelijke afwijkingen).
Hoe ziet een epileptische aanval eruit?

Een epileptische aanval kan zich op verschillende manieren uiten. Partiële epilepsie (petit mal) is slechts het optrekken van een poot, het trekken met een lip of ander afwijkend gedrag, zonder dat de hond buiten bewustzijn is. Gegeneraliseerde epilepsie (grand mal) is als een hond volledig buiten bewustzijn is, omvalt, krampen krijgt en urine en ontlasting verliest.

Een aanval duurt over het algemeen van enkele seconden tot vijf minuten. Duurt een aanval langer, dan wordt het aangeduid als een “status epilepticus” en dat is een spoedgeval. Na een aanval slaapt de hond nog urenlang of is hij tegenovergesteld daaraan juist bijzonder nerveus.

De gegeneraliseerde aanval verloopt meestal in drie fasen:

  1. Aura of inleiding.
    In de periode vóór de aanval vertoont de hond afwijkend gedrag. De hond is onrustig, aanhalig en heeft vaak een rare blik in de ogen. De hond wil graag naar buiten of juist naar binnen. Deze fase kan enkele minuten tot zelfs enkele dagen duren.
  2. Ictus of de eigenlijke aanval.
    Deze fase begint met het verlies van bewustzijn en het omvallen van de hond. Vervolgens treedt een soort verstijving op door langdurige krampen van poten en lichaam, gevolgd door ontspanning met kortdurende krampen. Hierna komt de hond weer bij bewustzijn. De hond kan urine en ontlasting verliezen. Deze fase duurt meestal enkele minuten.
  3. Post-ictale fase.
    Dit is de fase na de aanval. De hond krabbelt overeind, is van slag, heeft moeite met oriëntatie, heeft moeite met zien en bewegen, is vaak erg moe en heeft honger en dorst. Deze fase kan enkele seconden tot wel enkele dagen duren. In deze fase kan de hond gemakkelijk schrikken en daarom moet de hond in deze fase voorzichtig benaderd worden.

Wanneer de aanvallen snel achter elkaar optreden waarbij er wel een post-ictale fase herkenbaar is spreekt men van clustering. Clustering is zowel voor de eigenaar als voor de hond een frustrerende en vermoeiende vorm. Wanneer de aanvallen zo snel op elkaar volgen dat er geen post-ictale fase herkenbaar is spreekt men van een status epilepticus. De status epilepticus is een levensbedreigende situatie omdat deze dieren zonder hulp niet meer uit de aanval komen.

Wat te doen bij een epileptische aanval?

Een epileptische aanval is niet te stoppen, het is belangrijk te beseffen dat je hond tijdens een aanval geen enkele bewuste coördinatie heeft.

  • Probeer rustig te blijven en hou je hond goed in de gaten tijdens de aanval.
  • Schuif eventueel meubels aan de kant, zodat je hond zich niet kan verwonden.
  • Bedek de ogen van je hond tijdens de aanval.
  • Probeer niet de hond te kalmeren door hem te aaien of te proberen hem vast te houden, je hond kan onbedoeld en onbewust bijten tijdens een aaval.
  • Probeer zeker geen tabletten te geven.
  • Schrijf op hoe lang de aanval duurt en welke verschijnselen optreden.
  • Duurt de eigenlijke aanval langer dan 10 minuten, bel dan direct de dierenarts.
  • Is het de eerste aanval van de hond, dan kun je het beste de volgende dag een afspraak met de dierenarts maken om je hond te laten onderzoeken.
  • Als er al eerder primaire epilepsie is geconstateerd en de hond heeft meerdere aanvallen achter elkaar, geef dan na een aanval de thuismedicatie.
Hoe wordt de diagnose van secundaire en reactieve epilepsie gesteld?

Op basis van het verhaal van de eigenaar en eventueel een video-opname van een aanval kan de diagnose vrij snel gesteld worden, zeker in het geval van een gegeneraliseerde aanval. Bij het klinisch onderzoek van de hond wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn voor een onderliggende oorzaak van de epilepsie.

Wanneer de diagnose epilepsie gesteld is na de eerste aanval en er zijn tijdens het klinisch onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor een onderliggende ziekte, is het niet nodig om actie te ondernemen. Niet zelden blijft het bij die ene aanval. Eventueel kan een bloedonderzoek gedaan worden.

Wanneer er wel aanwijzingen zijn voor een onderliggende ziekte die de epilepsie zou kunnen veroorzaken, is het uiteraard zinvol om hier naar op zoek te gaan en meestal wordt een uitgebreid bloedonderzoek geadviseerd. De behandeling zal in deze gevallen dan ook primair gericht zijn op de onderliggende oorzaak. Soms is een EEG, een CT-scan of een MRI-scan noodzakelijk.

Wanneer er in een kort tijdsbestek meerdere aanvallen optreden wordt door middel van bloedonderzoek (en soms EEG, CT- of MRI-scan) het onderscheid gemaakt tussen primaire en secundaire of reactieve epilepsie.

Welke behandeling krijgt een hond met (primaire) epilepsie?

De behandeling van epilepsie zal er zelden toe leiden dat de aanvallen volledig worden voorkomen. Wel zal behandeling tot gevolg hebben dat de frequentie, de ernst en de lengte van de aanvallen afnemen. De volgende middelen komen in aanmerking voor een langdurige behandeling tegen epilepsie.

Imepitoïne (Pexion)
Imepitoïne is een relatief nieuw medicijn tegen epilepsie. Het wordt inmiddels door veel dierenartsen als eerste keus ingezet bij primaire epilepsie bij de hond. Het kan alleen worden gegeven, of in combinatie met phenobarbital. Over het algemeen geeft Pexion sneller resultaat en kunnen honden na een aanval minder angstig zijn.

Phenobarbital

Phenobarbital is een barbituraat en wordt al sinds lange tijd gebruikt bij epilepsie. Circa 70% van de honden reageert goed op dit middel. Sommige dieren krijgen echter bijwerkingen van phenobarbital zoals sufheid, meer drinken en plassen en meer eetlust.

Primidone

Primidone wordt in het lichaam omgezet in phenobarbital en phenylethylmalonzuur. De werking berust op het ontstane phenobarbital en kent dan ook dezelfde bijwerkingen. Phenylethylmalonzuur kan op termijn ernstige leverschade veroorzaken. Primidone heeft dan ook ten opzichte van phenobarbital geen voordelen en wordt om deze reden zelden gebruikt.

Slow release fenytoine (Epitard)

SR-fenytoine is afgeleid van het humane anti-epilepticum fenytoine en heeft als voordeel ten opzichte van fenobarbital dat er minder bijwerkingen zijn. Qua effectiviteit ontlopen SR-fenytoine en phenobarbital elkaar weinig. Honden die niet goed reageren op het ene middel worden nog wel eens overgezet op het andere middel.

Kaliumbromide (Epikal)

Kaliumbromide is waarschijnlijk het oudste anti-epilepticum (sinds 1857) en heeft als nadeel dat het bitter smaakt. Het kan als monotherapie worden ingezet, maar veel vaker als combinatietherapie met phenobarbital.

Meestal zal phenobarbital als eerste keus worden ingezet bij de behandeling van epilepsie. Phenobarbital heeft circa drie weken nodig voordat de maximale werking optreedt en dus is eerder switchen naar een ander middel af te raden. Wanneer de effectiviteit uiteindelijk toch tegenvalt kan Epitard geprobeerd worden of de combinatie phenobarbital met kaliumbromide.

Wanneer een hond in een status epilepticus terecht komt of er clustering optreedt wordt bij voorkeur diazepam (Valium, Stesolid) toegediend. De eigenaar kan dit zelf doen door een dosis rectaal in te brengen. Het is daarom goed om altijd dit noodmiddel in huis te hebben. De dierenarts dient het noodmiddel bij voorkeur via injectie toe, zodat het direct in het bloed terecht komt. Diazepam is ongeschikt voor langdurige behandeling van epilepsie omdat het een zeer korte werkingsduur heeft.

Bedenk wat er gebeurt als een hond reactieve epilepsie heeft en vervolgens ook nog tabletten voor deze aandoening krijgt. Dat onderdrukt op korte termijn wel iets, maar op langere termijn kan de hond zieker worden, omdat er door de tabletten nog meer chemische stoffen in zijn lichaam komen, waardoor het immuunsysteem nog verder verslechtert.

Medicatie voor epilepsie is eigenlijk alleen raadzaam als er sprake is van primaire epilepsie. Bij secundaire en reactieve epilepsie moet de onderliggende oorzaak bestreden worden.

Welke invloed heeft vaccinatie?

Jaarlijks of driejaarlijks de hond laten vaccineren kan slecht voor de hond zijn. Het is ook niet nodig. Als de hond de puppy-entingen heeft gehad, dan geeft dat een bescherming voor de rest van zijn leven.

De cocktail-enting die de hond (drie)jaarlijks bij de dierenarts krijgt richt grote schade aan. De vaccinatie tegen leptospirose (de ziekte van Weil) is nog gevaarlijker. In de vaccinatie zitten naast de entstof ook chemische hulpstoffen zoals thimerosal, formaldehyde, paraffine, aluminium, enz. Deze stoffen kunnen het immuunsysteem, de hersenen en de nieren ernstig aantasten.

Thimerosal bestaat voor 50% uit kwik en heeft de nare eigenschap om op te hopen in de hersenen en het hersenweefsel aan te vreten. Dit is niet meer te stoppen. Formaldehyde is een kankerverwekkende stof die volgens onderzoeken net zo gevaarlijk is als asbest.

Men weet tegenwoordig dat tussen vaccinaties  en een aantal aandoeningen zoals allergieën, epilepsie en auto-immuunziekte een oorzakelijk verband bestaat. Vaccinaties zijn erg belastend voor de hond.

Welke invloed hebben wormkuren en vlooienbestrijdingsmiddelen?

Een wormkuur is ook een chemisch middel dat het immuunsysteem aantast en meer schade aanricht dan dat het goed doet. Een hond die rauw vlees eet heeft geen last van wormen. De wormen kunnen in het sterke maagzuur niet overleven en zijn bij het binnendringen van de maag binnen enkele seconden dood. Een wormkuur werkt trouwens niet preventief, na het toedienen van ontworming kan de hond gewoon weer opnieuw wormen krijgen.

Er zijn veel middelen om vlooien, teken en andere insecten bij honden te bestrijden en te voorkomen. Deze producten zijn echter op chemische basis en kunnen allerlei irritaties en andere problemen veroorzaken. Preventief zijn er tabletten, halsbanden en druppels (spot-on) en als behandeling zijn er tabletten, shampoos en sprays. Ook als een middel niet ingenomen hoeft te worden, kan het toch in het lichaam van de hond terecht komen, met alle schadelijke gevolgen van dien.

Er zijn ook verschillende producten verkrijgbaar die als basis natuurlijke grondstoffen bevatten met de eigenschappen dat ze vlooien, teken, insecten en parasieten het leven zuur maken, waardoor de hond minder aantrekkelijk wordt voor ze. Uiteraard verdienen deze middelen de voorkeur, zeker bij een hond met epilepsie.

Welke invloed heeft brokvoeding?

Honden met epilepsie kunnen vrij gevoelig zijn voor toevoegingen in hun voeding. Buiten het feit dat veel toevoegingen voor alle honden niet goed zijn, geldt dat voor honden met epilepsie in het bijzonder.

De huidige voedingsindustrie bestaat grotendeels uit brokvoeding, waaraan de nodige middelen zijn toegevoegd die voor de doorsnee hond, laat staan een hond met epilepsie, niet gezond zijn. In veel brokken zitten conserveringsmiddelen die zéér giftig zijn zoals etoxiquine, BHA en BHT. Dit zijn giftige bestrijdingsmiddelen uit de landbouw. Deze middelen zijn zo giftig dat 7 druppels genoeg zijn om een mens te doden.

Vervolgens zijn de afvalgranen bewerkt met schimmelwerende middelen en bevatten brokken bindmiddelen en  kleur-, geur- en smaakstoffen. Ook vitamine K3 is niet gezond, maar zelfs gevaarlijk voor een hond, Vitamine K3 wordt ten onrechte vitamine genoemd, het is dat niet. Het is een chemische middel dat vitamine K1 vervangt. K3 is goedkoper in de productie.

Buiten de toevoegingen bestaat brokvoeding voornamelijk uit verhitte bestanddelen. Deze verhitting zorgt er onder meer voor dat de eiwitten in de voeding van structuur veranderen, waarop het lichaam van de hond een allergische reactie kan vertonen in de vorm van jeuk, uitslag of irritatie. Zelfs gedragsproblemen kunnen veroorzaakt worden door deze verkeerde voeding.

Nou is een handje brokken niet zo erg, maar als de hond dit dagelijks als voeding krijgt, dan kunnen problemen simpelweg niet uitblijven. Dee hond wordt hier vroeg of laat behoorlijk ziek van.

Welke voeding is wel goed?

Sinds enkele jaren zijn er diverse rauw vlees voedingen op de markt, zonder enige chemische toevoeging. Ook voor de hond met epilepsie is zulke voeding ideaal, aangezien er geen middelen in zit die aanvallen kunnen veroorzaken.

Andere vormen zijn gevriesdroogde voeding en luchtgedroogde voeding, zoals van ZiwiPeak. Doordat er geen verhitting aan te pas is gekomen, zijn de eiwitten intact gebleven. In principe is het dus rauw voer, maar dan zonder het vocht en bacteriën. Naast de vers vlees voedingen bestaat er ook de mogelijkheid zelf het dieet voor uw hond samen te stellen.

Uit diverse onderzoeken blijkt dat honden met epilepsie heel vaak minder aanvallen krijgen als ze een natuurlijke vleesvoeding krijgen. Soms blijven de aanvallen zelfs helemaal weg.

Zorg voor een goede oriëntatie alvorens over te stappen op vers vlees voeding. En bij een hond met een ziekte is het raadzaam de overstap niet van het ene op het andere moment te doen, maar geleidelijk te laten verlopen. Door meer vers vlees zal namelijk eerst de pH-waarde van het maagzuur dalen. Het wordt zuurder. Dat is nodig (en natuurlijk) voor de hond om ook botten en dergelijke te kunnen verteren. Een groot bijkomend voordeel is dat door het sterk zure maagzuur wormen geen kans hebben.

Is het zinvol supplementen te geven?

Het is goed om dagelijks vitamine D3 door het voer van de hond te doen. Onderzoek geeft aan dat de epileptische aanvallen hierdoor 30% tot 40% kunnen afnemen.

Ook vitamine B6 kan de aanvallen sterk verminderen, Vitamine B6 is essentieel voor de aanmaak van gaba, een neurotransmitter die voor rust kan zorgen in de hersenen van de hond.

Terug naar: Gezondheid van hond en puppy

Blogs over gezondheid

Reacties zijn gesloten.